(Tot) op het randje

Verslag 'Het kanaal'

Het Antwerp Queer Arts Festival nodigde schrijfster Gaea Schoeters en Muziektheater Transparant uit om “iets gays” te doen met een fragment uit een tekst van Shakespeare, waarin een sheriff met de naam Sir Thomas More een meute toespreekt en hen erop wijst dat hun agressieve houding tegenover nieuwkomers bezwaarlijk is. Als ze de vluchtelingen zouden lynchen, wat ze ook van zins zijn, zouden ze zelf uit hun land verbannen worden en als vluchteling door het leven moeten gaan. Die opdracht werd door beide partijen aangegrepen om ‘de vreemdeling’ vanuit verschillende (historische) perspectieven te belichten.

Gaea Schoeters was er niet op gebrand de meest voor de hand liggende keuzes te maken voor haar omgang met de Shakespearetekst en daar heeft ze zich dan ook niet schuldig aan gemaakt. Ze koos ervoor om aan het historische luik twee hedendaagse ervaringskaders toe te voegen. Ze schreef daarom twee monologen: een voor een transgender en de ander voor een vluchteling, gespeeld door respectievelijk Katelijne Verbeke en Adams Mensah. Annelies van Parys (Muziektheater Transparant) zette de Shakespearetekst op muziek (voor gitarist-luitist Maarten Vandenbemden) en er werd nog een ander element aan toegevoegd: die van een spottende narrenfiguur, de shakespeareaanse commentator, vocaal ten berde gebracht door sopraan Naomi Beeldens (eveneens Muziektheater Transparant).

De twee hoofdfiguren bevinden zich elk aan de andere kant van het Kanaal. De man staat in Calais, klaar om naar Engeland te zwemmen, na al een lange en vreselijke vluchtroute te hebben afgelegd. De vrouw staat op de krijtrotsen bij Beach Head, een klif waar al verschillende mensen een einde aan hun leven maakten. Zij vertelt over hoe betreurenswaardig moeizaam een aanvaardingsproces verloopt en hoe dat haar ertoe gedreven heeft de kliffen op te zoeken.

De monologen van zowel Verbeke en Mensah zijn heftig. Vooral tegenover de tekst van die laatste is het lastig om je als publiek een houding te geven. Het gevaar een eenzijdig verhaal en een les moraal te brengen, ligt meer dan op de loer. De toon is dan ook sterk verwijtend: hij richt zich tot “jullie” en confronteert het publiek met pijnlijke gebeurtenissen, die op zee en aan de kusten plaatsvonden. Hij slingert de westerlingen hun hypocrisie naar het hoofd.

Hoewel de monologen en de muziek met de becommentariërende, spottende stukken en de speech elkaar op thematisch vlak logisch afwisselen, zit er ook in die afwisseling iets gekunstelds. Het geheel blijft tot vijf minuten voor het eind nogal statisch: ondanks de muzikale begeleiding zit er niet veel ritme in de opeenvolging van lappen tekst. Schoeters’ tekst is bovendien onmiskenbaar literair en dat komt Mensah’s belichaming niet altijd ten goede. Soms is die te gekunsteld: er gaapt dan een groot gat tussen de tekst en de speler.

De monoloog van Katelijne Verbeke treft wel doel. Het verschil tussen de twee zit voornamelijk in het appel aan het publiek. Bij Verbeke is er immers veel minder sprake van verwijt: ze deelt louter haar verhaal mede. Verbeke neemt haar tijd; ze denkt terwijl ze spreekt. Het lijkt alsof ze zichzelf en haar rol bestudeert tijdens het spel. Daardoor komt de complexiteit van haar verhaal veel onweerlegbaarder, ontwapenender over. Bovendien belichaamt zij haar rol als transgendervrouw op een uitzonderlijk overtuigende manier, waarbij tekst en lichaam integreren. Het spel wordt nooit grotesk, de tekst is rijk en op geen enkel moment clichématig. Verbeke brengt, anders gezegd, een sterk staaltje ingeleefd acteren op de planken.

De kwaliteit van de twee monologen is zo verschillend, dat het jammerlijk is dat de twee naast elkaar zijn gezet. In De Morgen (30/7) werd Schoeters al gevraagd of ze de vergelijking tussen de levens van een transgender en een vluchteling niet te vergezocht vond. Het is volgens Schoeters niet obvious, maar de vergelijking legt wel gelijkenissen bloot. Het gaat in de eerste plaats om mensen die in een transitie zitten en die hopen aan de andere kant een betere toekomst te vinden. De idee van algemeen gedeelde menselijkheid is uiteraard waarachtig, maar toch valt het moeilijk te onderkennen waarom die twee individuele verhalen, naast elkaar gezet, er samen sterker zouden uitkomen. De verhalen kruisen enkel in de verwoording, maar nergens zijn er duidelijke bakens te ontdekken, waaraan beide groepen zich boven water kunnen hijsen.

De krijtlijnen van de verhalen worden uitgezet, vervolgens uitgediept en lijken af te stevenen op een tragische plot. Tot vijf minuten voor het einde was dat althans de verwachting die gewekt werd. Het is onmogelijk het einde van de voorstelling niet mee in rekenschap te nemen, omdat ze daar een volledig nieuwe wending krijgt. In de eindscène, waar de twee levens van de personages elkaar kruisen, krijgt het toeval een belangrijke rol toebedeeld. Het Toeval overheerst zelfs zodanig dat het te absurd voor woorden is. Wat begon als een tragedie, wordt plotseling een tragikomedie of een klucht. De spot verschijnt echter niet als een soort duiveltje-uit-een-doosje: de spottende figuur was al die tijd aanwezig in de gedaante van Naomi Beeldens. Haar functie wordt bijgevolg pas helder aan het eind van de rit.

Wat betekent die komische kentering voor het engagement van Het Kanaal? Het stelt in ieder geval de zwaarwichtige behandeling van de maatschappelijke thema’s in een heel ander daglicht. Een massief kluchtig kader omvat plots de rest van de voorstelling. Net daardoor zijn Schoeters en Muziektheater Transparant niet in de val getrapt van een te moraliserende benadering, wat op zich verdienstelijk is. Maar kan de voorstelling nog doortastend of doordringend zijn? Het komt er uiteindelijk op neer dat outsiderposities worden ingebed in een absurditeit. Op die manier wordt er geen er recht gedaan aan Verbekes geloofwaardige spel en de representatie die ze brengt van een maatschappelijk kwetsbare groep. (Elke Huybrechts)

VANDAAG 20U30 IN SCHEEPSWERF I.D.P.

TICKETS