Kolder en kloterijen

Verslag 'Zingarate'

De lucht schemert in heerlijk roze-oranje en aan de einder cirkelt een zwerm meeuwen. “Ze zijn op zoek naar een slaapplek”, zegt de Oostendse dame naast me. “Of hongerig.” We zitten aan de Denzil Diaskaai, op een tribune uit kartonnen verhuisdozen, opgesteld in een gesloten kring.

In het midden daarvan nodigt Robrecht Vanden Thoren de laatste mensen uit om neer te zitten. “Ga gerust op een lege doos zitten.” “Op mij dus”, repliceert mijn buurvrouw iets te luid. Trots lacht ze met de kwinkslag, haar ogen tranen een beetje. “Van de wind, hoor.” Vanden Thoren begint Zingarate: “Iedereen is gaan zitten, denk ik…”

De lucht schemert in heerlijk roze-oranje en aan de einder cirkelt een zwerm meeuwen. “Ze zijn op zoek naar een slaapplek”, zegt de Oostendse dame naast me. “Of hongerig.” We zitten aan de Denzil Diaskaai, op een tribune uit kartonnen verhuisdozen, opgesteld in een gesloten kring. In het midden daarvan nodigt Robrecht Vanden Thoren de laatste mensen uit om neer te zitten. “Ga gerust op een lege doos zitten.” “Op mij dus”, repliceert mijn buurvrouw iets te luid. Trots lacht ze met de kwinkslag, haar ogen tranen een beetje. “Van de wind, hoor.” Vanden Thoren begint Zingarate: “Iedereen is gaan zitten, denk ik…”

Zingarate, Italiaans voor ‘zware kloterijen’, is een hedendaags wagenspel: het speelt zich af op en rond drie verhuiswagens. De verhuis in kwestie is die van Donatella (Greet Verstraete) die een nieuw leven wil opbouwen in Zoersel, of all places. Ze wordt bijgestaan door beroepslyricus Vincent (Robrecht Vanden Thoren) en oppernicht Lars (Sebastien Dewaele). Wanneer haar ex Mario (Tom Vermeir) opduikt en haar smeekt om terug te komen, ontspint zich een kolderiek spektakel. Hij geeft haar dertig minuten bedenktijd. Terwijl zij staat te tobben, halen Vincent, Mario en Lars herinneringen op bij een Gents streekbiertje. Herinneringen aan hun jeugd, aan het uitgespookte kattenkwaad, aan ontloken en weer verdorde liefdes. Na afloop van het half uur beginnen Mario en Donatella een soort verwarde paringsdans. De enigszins verrassende uitkomst van die dans wordt best niet onthuld, TAZette doet niet aan spoiling.

Zingarate is grappig, bij momenten zelfs hilarisch. De acteurs hebben zichtbaar spelplezier en genieten van een enorme vrijheid. De scenografie is slim, de verwijzing naar Italiaanse film een mooie insteek. Toch blijft het het stuk te veel vastzitten in entertainment en weet het zelden een onderliggende laag te raken. Sierens heeft vier karikaturen neergezet: een macho, een dichter, een homo en een dwaze kalle. Het zou het begin van een flauwe mop kunnen zijn, maar het zijn de protagonisten van een theatervoorstelling. Interessant, ware het niet dat de personages noch de tekst het karikaturale overstijgen. Ze blijven typetjes, oorspronkelijk uit het leven gegrepen en uitvergroot, maar in de uitvergroting ontbreekt vervreemding. Er wordt geen afstand gecreëerd tussen het originele en fictieve. Het zijn figuren à la Firmin Crets en Marcske van F.C. De Kampioenen: onecht en van de pot gerukt. Ze raken niet, doen niet nadenken.

Op zich een beproefd recept om de lachspieren op te wekken, redelijk problematisch echter wanneer het clichébevestigend en stigmatiserend werkt. In het geval van Lars bijvoorbeeld, de homoseksueel die Sierens in Zingarate opvoert. Hij is in het bezit van een ‘homo-starterspack’: hij spreekt met een sissende -s, zwaait gracieus met zijn slappe polsjes en heeft thuis een collectie posters van Liza Minelli hangen om u tegen te zeggen. In zijn vrije tijd zingt hij nummers van Queen in rusthuizen en zorgt hij voor zijn seniele moeder. Alberto Vermicelli voor volwassenen, quoi. Om van te huilen. Er wordt een cliché neergezet, in stand gehouden en onbevraagd achtergelaten. Vermakelijk, maar gevaarlijk: eens te meer gaan mensen naar huis met een voorbijgestreefd en kwetsend beeld van wat homoseksualiteit zou zijn. Er wordt niet mee gespeeld, het wordt niet onderuit gehaald. Hoewel, in drie vierde van het stuk lijkt er een lichtpuntje op komst: Lars klapt uit de biecht over de moeilijke aanvaarding van zijn geaardheid door zijn moeder. Maar ook in deze passage wordt er niet verder gedacht, komen er geen achterliggende problematieken aan bod en blijft het geheel relatief onpersoonlijk en onherkenbaar. Kers op de taart: Lars verschijnt in volledige drag. Wat te denken? Vooruitstrevend of ronduit beschamend?

Kan je grappig en meeslepend zijn zonder stereotiep te worden? En kan je clichés installeren en ze tegelijkertijd onderuithalen? Te veel onnodige vragen, te veel gemiste kansen. Zingarate! Zware kloterijen. (Arno Boey