In het aardedonker schittert een wit lichtje. Het zakt tergend traag naar beneden en zwakt af. Een vallende ster. De drie piepjonge spelers van compagnie DeSnor begeleiden de dovende ster naar haar laatste rustplaats. Ze knielen er rond neer als was het een dood vogeltje. De bijna woordloze voorstelling #BOS beschrijft eenzelfde boog: van altijd reiken naar het allerhoogste, naar het inzicht dat struikelen, zich stoten en strompelend verdergaan daarvan onverminderd deel uitmaken. Van het baldadige gedrag van jonge honden, die het leven met huid en haar verslinden, naar het voorzichtig toelaten van kwetsbaarheid.

Compagnie DeSnor vertelt dat verhaal met slechts drie emmers water, wat stoepkrijt en een hoop wrakhout. Na het uitdovende lampje volgt een overgangsritueel. De jongens worden van de mannen gescheiden. Getier in blote bast, hevig voetgestamp op de stapel hout. Wie heeft de grootste? Hoeveel planken

krijg jij in jouw onderbroek gepropt? Ieder streven om met het weerloze hout iets van blijvende waarde te bouwen, wordt tenietgedaan door eigen vernietigingsdrang. Geleidelijk wint het stuk aan subtiliteit. Het falen wordt een facet van de handeling. Met een vette knipoog naar Jan Fabre klimt een speler als een koorddanser over een schuine, allesbehalve stabiele plank om de wolken te meten. Vierde keer, goede keer. De spelers gaan volledig op in de handeling en daarvan gaat schoonheid en troost uit. Het triggert een trip down memory lane: hoe je als uk een hele dag in de weer was om van een stuk hout een Robin Hood-boog of ridderzwaard te maken.

Toch bevat het stuk net wat te weinig sterke beelden voor een volledig uur spankracht. Nadat de spelers bijvoorbeeld als drie schalkse gratiën naar voren treden en het publiek spontaan begint te applaudisseren, volgt nog een epiloog, die veeleer plichtmatig de circle of life van de voorstelling voltooit. Maar op zijn beste momenten spreekt #BOS rechtstreeks tot je reptielenbrein. (MV)

Vandaag om 15u in cc DGP/ zaal Dactylo 

Foto (c) Wannes Cre