Ook in deze tweede helft van de TAZ-editie blijven er nieuwe voorstellingen naar Oostende afzakken. In het geval van Dis- moi wie ik ben, een coproductie van t,arsenaal in Mechelen en GEN2020, kunnen we daar alleen maar blij om zijn. Zo warm als het gisteren in de Dactylozaal van De Grote Post was, zo speels en verfrissend is dit theaterportret van de zogenaamde “tweede generatie”, gebracht door twee talentvolle actrices uit Antwerpen met Afrikaanse roots. Aminata Demba en Aïcha Cissé, in een regie van Frédérique Lecomte, leggen alle clichés en vooroordelen over migratie en identiteit vrank en vrij op tafel – of op een hoopje, zoals ze zeggen – en halen diezelfde vooroordelen vervolgens met een stralende glimlach onderuit. Daarvoor moet je van goeden huize zijn, en misschien ook wel recht van spreken hebben. Alleszins is Dis-moi wie ik ben het soort voorstelling dat we na Theater Aan Zee nog een lange tournee toewensen, want met veel emotionele intelligentie en menselijke warmte gemaakt.

Die intelligentie blijkt al meteen uit de eerste scène, waarin de twee actrices, gezeten op stoelen achteraan op een bijna lege bühne, naar het publiek kijken dat net heeft plaatsgenomen op de tribune. Hun zacht gefluister wordt langzaam hoorbaar en verstaanbaar: ze vragen zich af wat de toeschouwers verwachten te zien – “iets met zang en dans waarschijnlijk” – en kaatsen zo de bal, of beter: de blik, terug de zaal in. Het ijs is meteen gebroken en als ze daarna naar voren komen en het publiek ook echt aanspreken, ontstaat er moeiteloos een tijdelijk verbond, genre: vanavond kan en mag alles uitgesproken worden dat op onze lever ligt, collectief en/of individueel. Maar verontrustend is dat niet, wel integendeel, daarvoor is het spel van beide dames te ontwapenend, te grappig ook. Herkenbare uiterlijkheden passeren de revue – Afrikaanse mama’s met grote boezems en derrières, Afrikaanse papa’s met veel praatjes en affaires, zakelijk en amoureus – en worden door de speelsters waar nodig van commentaar voorzien: soms duidend en informatief, maar vrijwel altijd relativerend. De kinderlijke adoratie voor de sterke vaderfiguur, de discussies als tiener met de strenge want overbezorgde moeder, de naïeve projecties op het verre Afrika als een paradijs bevolkt door verwanten... Verschillende facetten van de zogenaamde “tweede generatie” krijgen in Dis-moi een plek. En behalve tot humor en relativering leidt die aanpak ook meermaals tot ontroering, bijvoorbeeld tijdens een opsomming van Onbeantwoorde Vragen: zaken waar hun ouders nooit ofte nimmer over verteld hebben, zoals over hun emoties, of over seks. Plots doet de voorstelling dan denken aan de poging tot dialoog in A reason to talk van actrice Sachli Gholamalizad, die vorig jaar én dit jaar op TAZ te zien was en die dezer dagen op het internationale theaterfestival in Edinburgh staat. Gholamalizad maakte die voorstelling naar eigen zeggen uit jarenlange frustratie over het gebrek aan antwoorden van haar moeder: over de moeilijke jaren in Iran en de reis naar België. Communicatie, met name die tussen een ouder en een kind, maakt nooit alles goed, uiteraard, maar ze kan
toch veel verzachten, zo luidt een van de conclusies na beide producties. Maar waar A reason to talk vooral de aanpak van de reportage of documentaire benadert, is Dis-moi wie ik ben veeleer een uiting van puur, onversneden spelplezier. Over een gevoelig onderwerp, maar juist daarom zo knap. (SH)

VANDAAG NOG OM 15 EN 20U IN DACTYLO, DGP. 

Foto (c) Lucila Guichon